Vanaf 1 juli 2024 zijn organisaties met 100 of meer werknemers wettelijk verplicht om te rapporteren over zowel het zakelijke als het woon-werkverkeer van hun werknemers. Dit vereiste staat bekend als de rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM). Het is dus noodzakelijk om eerst vast te stellen of een organisatie 100 of meer werknemers heeft. Om dit te bepalen, moet worden bepaald welke werknemers meetellen. Tijdens de recente actualiteitencursus Arbeid & Recht, die vorige week van start is gegaan, werd de vraag gesteld of oproepkrachten ook moeten worden meegerekend voor deze tellingsvereiste.

Volgens de WPM wordt onder een ‘werknemer’ verstaan als “degene die op 1 januari van het jaar waarover gerapporteerd wordt, op basis van een arbeidsovereenkomst verplicht is om minstens twintig uur per maand betaalde arbeid te verrichten voor een onderneming of rechtspersoon.” Met andere woorden, iemand wordt beschouwd als een werknemer als deze op 1 januari in dienst is met een contract dat minimaal 20 uur betaald werk per maand garandeert. Bij oproepkrachten is het aantal te werken uren doorgaans niet vastgelegd. Daarom tellen werknemers met afroepcontracten (nul-uren) of deeltijdcontracten voor minder dan 20 uur per maand niet mee voor de WPM.

Op de peildatum (1 januari van het rapportagejaar) worden werknemers die zijn ingehuurd van een uitzend-, detacherings- of payrollbureau niet beschouwd als werknemers van de organisatie. Als inlener is de organisatie dus niet verplicht om over hen te rapporteren. Vrijwilligers worden ook niet beschouwd als werknemers, waardoor de organisatie ook niet over hen hoeft te rapporteren. Werknemers die in het buitenland wonen maar in de Nederlandse vestiging werken, worden wel meegerekend. Aandeelhouders en hun partners worden niet beschouwd als werknemers, tenzij ze op de loonlijst staan. Voor meer informatie kun je terecht bij de RVO.

Bron: Fiscount