De Hoge Raad heeft recent bevestigd dat banken geen beroep kunnen doen op verrekening van binnenkomende bedragen wanneer zij weten, of behoren te weten, dat een faillissement aanstaande is. Daarmee wordt een eerdere uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gecorrigeerd.
Verrekeningsverbod bij gebrek aan goede trouw
Centraal staat artikel 54 van de Faillissementswet. Dit artikel beperkt de mogelijkheid voor schuldeisers, waaronder banken, om vorderingen te verrekenen wanneer zij niet meer te goeder trouw zijn.
Voor banken ligt het beslissende moment op het moment waarop zij weten, of redelijkerwijs moeten begrijpen, dat een faillissement van hun klant te verwachten is. Vanaf dat moment mogen zij geen binnenkomende bedragen meer verrekenen met openstaande schulden.
Geen uitzondering bij doorbetalingen
In de voorliggende zaak speelde de vraag of een uitzondering geldt wanneer binnengekomen bedragen vervolgens worden gebruikt voor betalingen aan andere schuldeisers.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat verrekening in zo’n situatie toch mogelijk moest zijn, omdat de bank zichzelf niet zou bevoordelen.
De Hoge Raad verwerpt dit standpunt. Volgens de hoogste rechter is er geen ruimte voor een dergelijke uitzondering. De bestaande lijn blijft daarmee onverkort van kracht.
Achtergrond van de zaak
De zaak betrof een horecaonderneming met een rekening-courantkrediet bij de Rabobank. Tijdens de coronacrisis ontving de onderneming een NOW-subsidie van ruim € 15.000, terwijl de rekening al negatief stond.
Kort daarna volgde het faillissement. In de tussentijd had de bank nog betalingen uitgevoerd in opdracht van de onderneming. De binnengekomen subsidie werd door de bank verrekend met de openstaande schuld.
De curator stelde dat deze verrekening in strijd was met de Faillissementswet en vorderde terugbetaling aan de boedel.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad bevestigt dat een bank door het bijschrijven van bedragen op een rekening zelf schuldenaar wordt van de rekeninghouder. Als de bank op dat moment niet te goeder trouw is, kan zij zich niet beroepen op verrekening.
Het feit dat de ontvangen bedragen vervolgens zijn gebruikt voor betalingen aan andere schuldeisers, maakt dit niet anders. Het toestaan van een uitzondering zou ertoe leiden dat banken een bevoorrechte positie krijgen ten opzichte van andere schuldeisers.
Dat is volgens de Hoge Raad onwenselijk en in strijd met het systeem van de Faillissementswet.
Gevolgen voor de praktijk
Deze uitspraak bevestigt dat banken terughoudend moeten zijn met verrekening zodra een faillissement in beeld komt. Voor ondernemingen en curatoren biedt dit juist extra bescherming tegen selectieve bevoordeling van banken.
Het arrest benadrukt dat de positie van banken in het betalingsverkeer niet mag leiden tot een feitelijk voorrangsrecht boven andere schuldeisers.
Conclusie
De Hoge Raad trekt een duidelijke lijn: bij dreigend faillissement is er geen ruimte voor verrekening door banken, ook niet als binnengekomen gelden worden doorbetaald aan andere schuldeisers.
De zaak wordt verder behandeld door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, maar de juridische kaders zijn hiermee helder bevestigd.
Bron: accountancyvanmorgen.nl






