Binnen concernstructuren speelt de fiscale eenheid voor de btw regelmatig een belangrijke rol. Denk aan situaties waarin een holding kosten doorbelast, personeel deelt of vastgoed verhuurt aan een werkmaatschappij. De vraag is dan al snel: opereren de vennootschappen afzonderlijk, of vormen zij samen één btw-ondernemer?
Een recente uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch laat zien dat al relatief snel sprake kan zijn van een fiscale eenheid.
Wanneer is sprake van een fiscale eenheid?
Van een fiscale eenheid voor de btw is sprake als ondernemingen:
- financieel
- organisatorisch
- én economisch
zodanig met elkaar zijn verweven dat zij als één ondernemer worden aangemerkt.
Het gaat daarbij niet om de juridische structuur, maar om de feitelijke situatie. De beoordeling vindt altijd plaats op basis van het totaalbeeld.
De drie vormen van verwevenheid
Financiële verwevenheid
Dit ziet met name op zeggenschap, bijvoorbeeld via aandelenbezit of stemrechten.
Organisatorische verwevenheid
Hier gaat het om de feitelijke aansturing. Is er sprake van een gezamenlijke leiding die de betrokken vennootschappen als één geheel aanstuurt?
Economische verwevenheid
Dit betreft de onderlinge activiteiten. Denk aan elkaar aanvullende werkzaamheden, een gezamenlijk economisch doel of structurele onderlinge prestaties.
De rechter beoordeelt deze drie elementen altijd in samenhang. Formele ondergeschiktheid is daarbij niet vereist.
Gevolgen van een fiscale eenheid
Als een fiscale eenheid wordt aangenomen, heeft dat directe gevolgen voor de btw:
- er wordt één gezamenlijke btw-aangifte gedaan
- onderlinge prestaties blijven buiten de btw-heffing
- alle onderdelen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de btw-schuld
De btw verschuift daarmee van het niveau van afzonderlijke vennootschappen naar het niveau van de groep als geheel.
Is een beschikking vereist?
In de praktijk wordt een fiscale eenheid vaak vastgelegd via een beschikking van de Belastingdienst. Toch is dit niet doorslaggevend. Ook zonder beschikking kan sprake zijn van een fiscale eenheid, als feitelijk aan de voorwaarden wordt voldaan.
De materiële werkelijkheid blijft dus leidend.
Wat speelde er in de recente uitspraak?
In de zaak bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ging het om een holding en een werkmaatschappij die een cafetaria en ijssalon exploiteerde. De holding verhuurde een pand en inventaris aan de werkmaatschappij. Beide vennootschappen stonden onder dezelfde (indirecte) aandeelhouder en werden feitelijk door dezelfde persoon aangestuurd.
De discussie spitste zich toe op de vraag of er voldoende organisatorische en economische verwevenheid was.
Oordeel van het hof
Het hof oordeelde dat sprake was van een fiscale eenheid.
- Organisatorisch: één bestuurder voerde de feitelijke leiding over beide vennootschappen
- Economisch: de holding verhuurde pand en inventaris en behaalde daarmee een substantieel deel van haar omzet uit de werkmaatschappij
Hoewel de prestaties niet “in hoofdzaak” voor de werkmaatschappij werden verricht, waren deze ook niet verwaarloosbaar. In combinatie met de overige verwevenheden was dit voldoende.
Conclusie
Deze uitspraak onderstreept dat een fiscale eenheid voor de btw al snel aan de orde kan zijn binnen een concern. Met name bij gedeelde aansturing en onderlinge prestaties, zoals verhuur van vastgoed, kan de drempel lager liggen dan vaak wordt gedacht.
Dat heeft belangrijke gevolgen: één btw-aangifte, geen btw op interne prestaties en hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele groep.
Het is daarom belangrijk om tijdig te beoordelen of binnen jouw structuur sprake is van een fiscale eenheid en wat daarvan de gevolgen zijn.
Bron: nextens.nl






