Conclusie AG Pauwels box-3-heffing naar werkelijk rendement

Advocaat-Generaal Pauwels heeft een analyse opgesteld van het daadwerkelijk behaalde rendement en de ‘Wet rechtsherstel box 3’ (Herstelwet). Vervolgens past hij deze analyse toe op vijf individuele zaken die momenteel bij de Hoge Raad in behandeling zijn, waarin diverse aspecten van de box-3-heffing centraal staan. De Advocaat-Generaal verduidelijkt wat onder het daadwerkelijk behaalde rendement valt, zoals vastgelegd in het Kerstarrest van de Hoge Raad, en concludeert dat dit concept ook relevant is onder de Herstelwet, aangezien deze nog steeds uitgaat van een forfaitaire heffing. Tevens behandelt hij hoe rechters het begrip ‘daadwerkelijk behaald rendement’ interpreteren, of dit correct wordt gedaan, en hoe de Hoge Raad deze interpretatie kan toetsen.

AG Pauwels (AG) maakt onderscheid tussen twee situaties. In de ene situatie gaat het om gevallen waarin de Herstelwet bepaalt dat de box-3-heffing nog steeds moet worden berekend volgens de Wet IB 2001. Op basis van het Kerstarrest wordt nog steeds geoordeeld dat het EVRM wordt geschonden als het daadwerkelijk behaalde rendement lager is dan het forfaitair bepaalde rendement.

De andere situatie betreft gevallen waarin de berekeningsregels van de Herstelwet van toepassing zijn. Net als AG Wattel al op 1 september 2023 concludeerde, is AG Pauwels ook van mening dat de Herstelwet niet in overeenstemming is met het EVRM wanneer het daadwerkelijk behaalde rendement lager is dan het (herziene) voordeel uit sparen en beleggen. In dergelijke gevallen kan de belastingrechter (aanvullend) rechtsherstel bieden.

Invulling begrip ‘werkelijk behaalde rendement’
De Advocaat-Generaal (AG) bepleit dat de Hoge Raad een leidende rol zou moeten spelen bij het definiëren van het begrip ‘werkelijk behaald rendement’. Dit begrip is namelijk cruciaal voor zowel de beoordeling van mogelijke schendingen van het EVRM als voor het verlenen van rechtsherstel. De AG adviseert de Hoge Raad om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het inkomen dat de wetgever beoogde te belasten met het forfaitaire stelsel. Dit houdt onder meer in dat:

  1. het werkelijk behaalde rendement wordt uitgedrukt in nominale termen (en dus niet in reële – inflatieneutrale – termen);
  2. de vergelijking tussen het werkelijk behaalde rendement en het forfaitair bepaalde voordeel moet worden gemaakt over alle vermogensbestanddelen gezamenlijk;
  3. deze vergelijking jaarlijks wordt gemaakt (en dus niet over meerdere jaren);
  4. bij het bepalen van het werkelijk behaalde rendement in een bepaald jaar geen rekening wordt gehouden met een negatief werkelijk behaald rendement in een ander jaar (geen verliesverrekening);
  5. het werkelijk rendement ook ongerealiseerde waardemutaties omvat;
  6. ook rekening gehouden wordt met kosten die het rendement van het vermogen beïnvloeden, zoals kosten ter verwerving, inning of behoud van inkomsten;
  7. bij het bepalen van het werkelijk behaalde rendement – anders dan bij het voordeel uit sparen en beleggen – geen rekening wordt gehouden met het heffingvrije vermogen.

De AG benadrukt dat de Hoge Raad het begrip ‘werkelijk behaald rendement’ aan deze uitgangspunten zou moeten toetsen, zowel bij de beoordeling van mogelijke schendingen van het EVRM als bij het verlenen van rechtsherstel.

Individuele zaken
Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen in de vijf individuele zaken.  Volgens de AG zou de Hoge Raad alle cassatieberoepen van de staatssecretaris van Financiën ongegrond moeten verklaren op grond van de bovenstaande uitgangspunten.

Bron: Fiscount