Van Bergen op Facebook   Van Bergen op LinkedIn

WOZ beschikkingen ieder jaar nauwlettend controleren

De moeder van belanghebbende is overleden op 29 oktober 2010. Belanghebbende heeft krachtens legaat van de executeur-testamentair op 28 december 2011 een bedrag van € 45.687 ontvangen. De hoogte van dat legaat is civielrechtelijk berekend als een percentage van de netto nalatenschap. De waarde van de nalatenschap wordt vooral bepaald door het voormalige woonhuis van erflaatster. Civielrechtelijk is uitgegaan van de marktwaarde van de woning op de dag van het overlijden. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, waarbij de waarde van het aan belanghebbende toegekende legaat is vastgesteld op € 62.430. Daartoe is de inspecteur uitgegaan van de voor het jaar 2010 vastgestelde (in dit verband hogere) WOZ-waarde van de woning van € 457.000.

Het verschil wordt veroorzaakt de uiteenlopende civiele en fiscale waarderingen van de woning. In geschil is de waarde voor de erfbelasting van het legaat dat aan belanghebbende is toegekend.

Hof Amsterdam 24 juli 2014, nr. 13/00006, heeft geoordeeld dat voor de erfbelasting moet worden aangesloten bij de waarderingsregels zoals deze zijn neergelegd in de Successiewet 1956. De onherroepelijk voor het jaar 2010 vaststaande WOZ-waarde kan niet in de onderhavige hofprocedure worden verlaagd. Art. 21, lid 5, SW 1956 heeft volgens het hof weliswaar tot gevolg dat belanghebbende over een groter bedrag erfbelasting moet betalen dan hij in werkelijkheid heeft gekregen, maar dat is een gevolg van de geldende wettelijke regelingen waarbinnen de rechter moet blijven.

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld en stelt dat er bij de vaststelling van de aanslag erfbelasting moet worden uitgegaan van een waarde van het legaat die gelijk is aan het bedrag dat belanghebbende daadwerkelijk heeft ontvangen, dan wel dat moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de woning.

A-G IJzerman merkt op dat de waarde van hetgeen wordt verkregen krachtens erfrecht voor de toepassing van de erfbelasting wordt bepaald op grond van art. 21 SW 1956. Belanghebbende heeft een vorderingsrecht verkregen op de erfgenamen dat op grond van art. 21, lid 1, SW 1956 in beginsel zou moeten worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer.

De Hoge Raad heeft echter bij arrest van 13 december 1995, nr. 29.716, beslist dat indien een vordering is terug te voeren op een vermogensbestanddeel waarvoor art. 21 SW 1956 een bijzonder waarderingsvoorschrift bevat, de waarde van de vordering eveneens wordt bepaald overeenkomstig dat waarderingsvoorschrift. In HR 11 april 2014, nr. 12/04507, NTFR 2014/1257, heeft de Hoge Raad geoordeeld over de bijzondere waarderingsregel voor woningen zoals deze met ingang van 1 januari 2010 is opgenomen in art. 21, lid 5, SW 1956. De Hoge Raad heeft overwogen dat op grond van art. 21, lid 5, SW 1956 onroerende zaken die in gebruik zijn als woning voor de heffing van erfbelasting in aanmerking worden genomen naar de volgens Hoofdstuk IV Wet WOZ voor die zaken vastgestelde waarde voor het jaar waarin de verkrijging plaatsvindt. Voor deze aansluiting bij de WOZ-waarde heeft de wetgever gekozen ter vereenvoudiging van de uitvoering van de erfbelasting. Daarmee strookt het om die waarderingsmaatstaf ook te hanteren voor zover de waarde van krachtens erfrecht verkregen (overbedelings)vorderingen afhankelijk is van de waarde van een onroerende zaak die in gebruik is als woning.

Gelet op de bewoordingen in het testament is in casu de waarde van het krachtens legaat verkregene mede afhankelijk van de waarde van een onroerende zaak die in gebruik is als woning. Het komt de advocaat-generaal voor dat deze arresten er tezamen beschouwd toe nopen het legaat van belanghebbende voor de toepassing van de erfbelasting te waarderen met inachtneming van de voor een woning geldende waarderingsfictie van art. 21, lid 5, SW 1956. In casu is dat, op basis van de ten aanzien van die woning reeds onherroepelijk vaststaande WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2010, op een bedrag van € 457.000.

Het gevolg daarvan is inderdaad dat belanghebbende over een groter bedrag erfbelasting moet betalen dan het bedrag dat hij in werkelijkheid heeft gekregen. Betoogd zou kunnen worden dat dit niet aansluit bij het verkrijgingskarakter van de Successiewet 1956. Echter, in de memorie van toelichting is over de invoering van artikel 21, lid 5 geschreven: Het gebruik van de WOZ-waarde leidt tot een belangrijke vereenvoudiging in de uitvoering, zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen. De Hoge Raad heeft over de wettelijke invoering van die waarderingsfictie geoordeeld dat van die praktische regeling, die aanknoopt bij de voor het desbetreffende kalenderjaar geldende WOZ-waarde, niet kan worden gezegd dat zij elke redelijke grond ontbeert. Een en ander moet betekenen dat het middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. 

«« terug